'Welgeteld vier dagen is het geleden, m'n beste, toen ik voor de laatste keer hier gedag zei en toen ik voor de eerste keer ooit iemand ontmoette. Best een vreemde ervaring, iemand ontmoeten. Ik heb natuurlijk het geluk geboren te zijn met een zekere mate van bewustzijn. De meeste mensen zijn al lang vergeten wie hun eerste ontmoeter was, waar dat ontmoeten plaatsvond en hoelang ze elkaar ontmoetten, op het moment dat ze beseffen dat ze zich iets kunnen herinneren. Van de meest intense periode van het leven gaat het meest verloren, zo ben ik te weten gekomen. Of beter gezegd, zo is me meegegeven bij mijn geboorte. Welgeteld vijf dagen geleden.
Ik weet nog goed hoe het tot een ontmoeting kwam. Het gebeurde allemaal in drie eenvoudige stappen:
1. Ik merkte hem op
2. Vervolgens merkte hij mij op
3. We besloten beiden in een fractie van een seconde dat het de moeite waard was op elkaar af te stappen en kennis te maken, wat dat ook mocht inhouden.
Achteraf gezien kan de derde stap soms ook twee deelstappen inhouden, want als hij gedesinteresseerd geweest zou zijn in mij, zou hij beslist terstond beslist hebben weg te lopen, hoewel ik zou hebben staan te popelen om hem gedag te zeggen. Sorry voor de geforceerde zinsconstructie van daarnet, maar ik zit nog in de experimenteerfase met mijn schrijven. Tips en spelfoutencorrecties zijn altijd van harte welkom.
De ontmoeting zelf verliep als volgt:
Meneer Doktoor
'Goe'ndag.'
Ik
'Goedendag.'
'Is dit jouw eerste ontmoeting?
Je lijkt me gespannen. Ik heb nog nooit iemand
met zo'n rechte rug zien rondlopen. Stijf als een plank ben je.
Ik kan je iets voorschrijven als je wilt?'
'Ja, dat is zo. Neen, dank u vriendelijk.
Het loopt wel los. Maar ik heb, denk ik,
wel iets voor jou geschreven.'
'Hoezo? Ik misversta je nu vermoed ik, m'n vriend.
Verklaar je nader.'
'Er kleeft bloed aan uw ooit zo witte doktorsjas
en er hangt een halve arm uit uw jaszak. Letterlijk een halve.
Bovendien hebt u een verroeste stethoscoop rond uw nek hangen
en zijn uw ogen bang geworden om rondom zich te kijken.
Uw handen trillen en uw zaag is bot. En vergeef me,
maar uw rug is krom en er kleeft bloed aan uw vingers.
Het lijkt me duidelijk dat u van het front komt. Welk front,
dat weet ik niet, maar u gaat gebukt onder veel oorlogsleed,
dat u slechts met lede ogen kon aanzien. U was een dokter,
meer zelfs, een oorlogsdokter.'
'Zeg maar gerust 'je', meneer ... ?'
'M. Altevree.'
'M. Altevree. Het is duidelijk dat je het ontmoeten nog niet
onder de knie hebt, maar je hebt gelijk. Behalve van dat bloed
aan mijn vingers. Dat heb je verkeerd bekeken.
Maar je hebt jezelf nog altijd niet nader verklaard.'
'Ik heb gisteren iets geschreven, 's avonds laat,
toen ik in de grasgroene berm naast het wandelpad
zat te zitten. Het was er plots, midden in mijn hoofd
en wilde naar buiten. Ik heb mijn notitieboekje gepakt
en noteerde het volgende. Ik denk dat het je van pas kan komen.
En te onpas kan dit alleszins zeker en vast niet komen:'
Ja, gij geraakt gewend aan goei' tijden
Zij gingen over lijken, in ganzenpas en uniform
Ijzeren vogels lieten hun eieren vallen voorbij Dover
En van't Arische ras schoten'r ook niet veel over
'Elke kogel zijn kerel', zo luidde't hun de norm
Übermenschen kenden hun eigenlijk grenzen niet
Regimenten rookten rassen uit voor't voortbestaan
Ook obussen hielpen de mens'n handje naar de maan
Peis en vree lagen toen werkelijk niet in't verschiet
Aanschouwt daarom dít tot't eínde uwer dagen
Ach, vroeger was't leven de mens zoveel waard
Dat'm niet meer stille stond bij'n zoveelste uitvaart
Of twee, want doden kunnen't zich niet echt beklagen
Leef nu, ge kunt! 'k Wil echt niet uw welbehagen
Fnuiken, maar toén waren't pas echt vuil' dagen
Ja, echt vuil' dagen, gij zijt er gelukkig van verlost
Want ze hebben stukken van mensen gekost.
'Wat je zegt, is niet van deze wereld en uit
een lang, vervlogen tijd. Maar ik begrijp wat je bedoelt.
Ik kom weliswaar van een totaal ander front, wie weet heftiger
en schokkender dan waar jij over spreekt, maar je hebt gelijk.
Ik was inderdaad een oorlogsdokter, nu ben ik op pensioen,
op de terugweg. Ik was, en nu, nu moet ik weer leren zijn.
Je hebt inderdaad gelijk. Ik kan het, leven, nu.'
Meteen daarop smeet hij de halve arm zo ver als mogelijk weg. Even leek hij voorbij de einder en verder te vliegen. En zo verliep M. Altevrees ontmoeting en zo verliep zijn dag. Hijzelf liep nadien verder, onze wandelaar.