9 februari 2010

Vergeet je weg niet | 1

Je gelooft het nooit, maar ik ben mezelf tegengekomen. Daarnet, niet zo gek ver van de plaats waar ik nu sta, pakweg een eenendertig minuten geleden. Het was mijn tweede ontmoeting ooit. En niet verwonderlijk was het ook de tweede ontmoeting ooit van mijn kletskameraad. Of hoe noem je iemand anders, die je toevallig passeert en waarmee je een praatje slaat? Het was voor ons beiden meteen raak, want we liepen boenk op, maar niet over, mekaar in het midden van een bocht. Noch ik noch mezelf hadden elkaar zien aankomen, want we hadden allebei alleen oog voor of een oogje op het landschap dat zich op dat moment ontplooide rondom ons. Het is niet zo dat ik de weg kwijt was, maar het was wel zo dat ik de weg uit het oog verloren was. En dan bots je natuurlijk. Kijk even met me mee.

Een tapijt van grashalmen ontplooide zich rondom me en droeg, waarschijnlijk al eeuwenlang, water naar de zee door zich te verkreukelen in zowat alle richtingen. Er hingen kolibries als ornamenten in de lucht, overbelicht door zuilen van invallende zonnestralen die gaten prikten in het wolkendek. Het leek wel alsof de natuur één grote, uitnodigende discodansvloer was, zo snel verdwenen en verschenen de gaten. Iemand daarboven moet naarstig aan het naaien geweest zijn. Zelden zo rap gaten gedicht geweten. Verder bevonden er zich karpers in de zoete stroompjes, die zo energiek zwommen alsof 'zoet' betekende dat er rietsuiker in het groenbruine water opgelost was. En riet was er ook en algen en libellen ter grootte van een hand. En door het tapijt liep kronkelend een drassig bruin spoor, waarop ik stond toen ik mezelf tegen het hoofd stootte. 

Echt een knotsgekke ontmoeting. Ik wist meteen na onze botsing hoe ik reageerde. Ik hoefde maar voor me te kijken, zo gemakkelijk was dat. Enkele seconden bleef het angstvallig stil. Het was mezelf die het gesprek opende en enkele woorden uitwisselde, snel en vastberaden, minstens even hard als onze eerste voeling met elkaar. Erg veel heb ik er niet meer aan toegevoegd, dat hoeft ook niet bij een monoloog. Ik wist waar hij, mezelf, op stond.

1 opmerking:

Vlindera zei

Heel bijzonder.
Door de beschrijving van de plaats voelt het alsof ik erbij mocht zijn.