26 juli 2010

Miss Larix

Ze is zo dichtbij en zo ver weg,
ik ben verliefd en verstijfd,
want morgen ga ik weg,
maar zij blijft,

in mijn hart
een zuchtje verwijderd
het voelt zo verdomd hard
door liefde die niet roest verijzerd

16 maart 2010

Niets zeggend

Wat als zelfs leegte niet meer is wat het lijkt?

1 maart 2010

Onzichtbaar door blindheid

Niet zo lang geleden zag ik het volgende staan, gegraveerd op de onderkant van een beleefde houten bank, die, zo ontpopte zich nadien  een gedachte in mij tot memorabele herinnering, veel plezier moet hebben gehad aan het beleefd zijn:

edfeil

Voor de nadien van zoëven had ik (in het) net het woord genoteerd in mijn notitieschriftje. Niet omdat ik er ondersteboven van was, het was eerder het omgekeerde. Leest u het ook maar eens op die manier. In de andere richting, tegen de stroom in waarin onze ogen informatie puren uit tekens die Chinees leken toen we klein waren, maar Nederlands bleken toen we eindelijk leerden welke taal we spraken. Als je het zo leest, zie je plots iets, familiair lijkt me niet het juist woord, eerder iets hereditair verschijnen.

Het leek me na die dag een goed voornemen zoveel mogelijk te kijken waar ik niemand zag kijken om te zoeken naar dingen die iedereen zoekt, maar niet vindt. Ik had gelukkig het besef dat vindplaatsen erg vindingrijk konden zijn. En zelfs meer: dat het gezochte soms op zoek lijkt naar de vinder, want toen ik later nog eens terugblikte op de nota in mijn schriftje, herkende ik met ongeloof(lijk grote ogen) het handschrift van de onbekende Beautist. Kon dat nog toeval zijn?

Sommige dingen zijn trouwens erg moeilijk te vinden vanwege hun on/doorzichtbare karakter. We denken er voorbij omdat het wezenlijk maar een halve gedachte is, die aan anderen, verkeerdelijk of niet verkeerdelijk, gestalte geeft. Ze worden ook wel eens vooronder-stellingen genoemd, wat ik persoonlijk een erg goed gekozen naam vindt. En als je jezelf afvraagt hoe ik onder de houten bank ben verzeild geraakt, die ik vermeld heb in het begin van dit stukje, dan ben je denk ik op de goede weg. Lees de tekst nog maar eens en misschien vind je het antwoord wel. En onthoudt: vindplaatsen kunnen erg vindingrijk zijn!

19 februari 2010

Wie het grote begeert

Ik bedacht net dat de beste manier om groot te eindigen klein te beginnen is. Misschien is dat op zich niet zo'n verwonderlijk feit. Vooral als je het leest in ongeveer anderhalve seconde, er even de waarheid van inziet en bij stilstaat, om het vervolgens terug te vergeten. Al is het dat wel wanneer je ziet hoe weinig van het feit bij velen feit is. Maar nu stel ik me de vraag: ik ben nooit klein kunnen beginnen, hoe groot kan ik dan nog worden?

16 februari 2010

Vasthouden is een kunst

'Het zit niet in mij, dat kan bijna niet anders en zoniet, dan zit het wel heel erg diep. Maar zo diep kan ik toch niet zijn? Het is gewoon niet voor, laat staan in, me weggelegd ...', zat ik eergisteren ontgoocheld en hoofdschuddend te herhalen na iedere zin die ik had herlezen, telkens peilend naar mijn eigen diepte. Soms vond ik het moeilijk aanvaardbaar dat iets een minimum aan talent kan vereisen. 
Ik probeerde die dag een gevoel op papier te zetten, naar  het grote voorbeeld van de onbekende Beautist, maar meer dan bladvulling leek het woordenwoud niet te zijn. Je kon er enkel en alleen in verdwalen, een chaos was het. Eigenlijk had ik er mee moeten kappen, want het resultaat ontstemde me hoe langer hoe meer. Net zolang totdat de stem in mijn hoofd zweeg en ik aan niets meer dacht. Escapisme tot in zijn uitersten doorgedreven. Héél even was ik die dag nergens meer. Heel even liet ik los.

In de ban van God

Zeven februari hoorde ik er voor het eerst van. Net voor de kennismaking met God's ban, waaide een zwak, verstrooid briesje over, tussen en onder alles wat geen lucht was. Op het moment van de waarheid flitste een regenboog aan het gehemelte, gevolgd door een knal van een donderslag die de stilte in duizend stukjes brak en op de scherven weerkaatste tot in de verste uithoeken. Zoals een landtong brak geraas lijkt uit te spuwen, zo rolde over de rug van de donderslag een zware stem naar benee. Hij was even gebroken als de stilte en even verontwaardigd als de zee die op de landtong inbeukt en blijft inbeuken. De hemel was die dag helderder dan ooit, want nooit was God meer zichtbaar geweest.

Zijn betoog klaagde de bantoestanden aan en het antiïsme tegen de fundamentele wetten van gelijkheid en individualisme. Grote woorden die luid klonken, maar alleen gehoord werden door de mensen die dag geen oorstopjes in hadden. De boodschap was echter in het bijzonder gericht tot zijn evenknie, Meneer De Paus en zijn onderdanigen.

God
'Vanwaar haalt gij de gedachte 
dat gij anderen moogt banaliseren tot verdoemenis?
Gij moest beschaamd zijn om uw doen en om uw laten. 
De mens is zoveel meer dan verdoemd. Bovenal is hij gezegend, 
met de meest uiteenlopende vaardigheden, niet in het minst 
zijn vingervlugheid en het toeval, dat hem steeds weer 
nieuwe kansen toewerpt.'

Meneer De Paus
'De witte wolken aan de hemel belemmerden me de boodschappen,
die u stuurde, goed waar te nemen.'

'Ach, zeg gerust 'je'. En doe geen moeite je er uit te lallen; 
de mond, van diegene wiens ogen opengaan, vertoont 
terzelfdertijd stuiptrekkingen van domme uitspraken, 
zoals ze voordien steeds door hemzelf werden gemaakt.

'Maar ik ben toch niet de enige die schuldig is
aan domme uitspraken? Wat met de onderdanigen,
wat gedaan met M. Ohammedaans onderdanigen?'

'Alleen jij, niet ik, spreekt van schuld, want je fouten beginnen 
je te dagen. Aanvaarden vergt veel adem, het is een lang proces.
Maar dan wel een proces zonder schuld met als enige rechter jezelf.'

Er werd nog veel meer gezegd, maar halverwege geraakte ik de draad kwijt, toen ik me afvroeg of dit wel echt kon zijn. Ik had maar wat graag gewild dat het echt was. Ik geloof nu dat ik er toen nog niet klaar voor was. En waarin je gelooft bepaalt veel meer dan wie je god is. Geloof me nu maar.

14 februari 2010

De onbekende Beautist

Eergisteren vond M. Altevree een stukje vergeeld papier, al had hij, na het gelezen te hebben, liever gehad dat het verguld was. Of misschien zelfs wel nooit geschreven was, dacht hij heel even. Maar die gedachte verwierp hij meteen, recht de vuilnisbak in, want radicaliteit boezemt hem angst in. Zeker als het in zijn hoofd ontspringt, zoals een onaangeboorde bron van onzinnige gedachten, waar slechts de kurk moet uitgetrokken worden om helemaal te verdrinken in een vloed van waanzinnigheid of meegezogen te worden door het ebgetijde. M. Altevree is nog steeds aangedaan door wat er op het papier stond, vandaar dat alleen ik, de verteller, vandaag het woord zal voeren in zijn naam. Moge hij snel weer op zijn positieven komen. De stakker kreeg werkelijk geen hap meer door zijn keel sindsdien, laat staan een woord eruit.

Rond halveren zeven 's avonds, maar het zou evengoed zeven uur dertig 's ochtends kunnen geweest zijn, het was het moment van het zonnezinken of zonnerijzen, die dag gepaard gaand met een rode gloed want de hemel had in brand gestaan, zo'n snikhete dag was het geweest, kwam M. Altevree voor een reuzeverassing te staan: stadswallen. 'Wel heb je ooit ...', mompelde hij. Je moet weten dat stadswallen niet echt meer tot de moderne stedencultuur behoren. Maar hij stond dus voor een moderne stad mét stadswallen, evenzeer modern of zelfs moderner dan de stad zelf. En hoog dat ze waren, zijn nek werd er stijf van, want hij stond inmiddels al twintig minuten gedachteloos te staren. Gek genoeg zat er geen poort in de muur. Er was gewoon één groot gat. In de verte kon hij nog enkele paden onderscheiden, toen hij rond de muur probeerde te kijken net zoals je voorbij een bocht wilt kijken, die recht naar de muur toe liepen en ophielden waar hij begon. Maar daar zat noch een gat, noch een poort. Alleen deze weg leek toegang te bieden tot de stad. (later zou M. Altevree zich hier nog meer bedenkingen over maken)

Het gat, of de stadswal, wat maakt het uit, was zo'n honderd meter in diepte en zo'n tien meter in breedte. Ik zou het eerder een kloof noemen, maar ik ben M. Altevree natuurlijk niet, dus we houden het bij gat. Net toen hij er in volle vaart op begon af te wandelen, kwam het beruchte papiertje aanwaaieren. Het leek onze wandelaar een handig middeltje te zijn tegen de hitte. Alles wat wind kon maken was op dat moment erg welkom. Het was ijdele hoop. Hij zou het er alleen maar warmer van krijgen, bleek later. Lees mee door zijn ogen, hoe zich voor hem het volgende ontplooide in gekaligrafeerde letters van een mannenhand:


Ik zie een bloem met rode franjes
En hier en daar dauwdruppels
Op de rode franjes van de bloem
Die ik anders tranen noem

En het rood ontbloot de passie van de vrucht
Meteen denk ik aan jou, omdat ik van je hou

Ik zie een vogel met grote glinsterveren
En twinkelingen in de pronkende ogen
op de grote glinsterveren van de vogel
Het lijkt wel tovenarij en gegoochel

En de hondenoogjes beogen mijn hart te stelen
Meteen denk ik aan jou, omdat ik van je hou

Ik zie een zonsondergang in de zee
En een schip dat bijna van de einder vaart
Op de zee onder de zonsondergang
Een seconde duurt er eeuwenlang

En mijn dromen drijven mee op de zilte zee
Meteen denk ik aan jou, omdat ik van je hou

Ik zie een kindergezichtje met lachkuiltjes
En enkele blozende stipsproetjes
Op de lachkuiltjes van het kindergezichtje
Een schatje, mijn pasgeboren nichtje

Haar handjes haken in de mijne
Meteen denk ik aan jou, omdat ik van je hou.


Het duurde even voor hij het als een nieuwe bladzijde in zijn notitieboekje attacheerde, want iets driemaal herlezen, letter per letter en laag per laag, vergt nu eenmaal wat tijd. Maar het was M. Altevree vooral om het gevoel te doen. Het enige zinnige dat nog in hem opkwam was: 'ik zal en moet de man die dit geschreven heeft vinden, al kost het me mijn leven.' En daarom zeg ik je: de waarde van een stukje papier hangt niet af van de houtsoort waaruit het gemaakt is, maar van de zin die men eraan hecht. De roodgloeiende zonsondergang duurde die dag nog heel lang.

11 februari 2010

Madame Danchantée

'Vandaag leek op het eerste zicht een alledaagse dag te worden, met de nodige kommer en kwel en heel wat kilometers voor de boeg. Het begon tijd te worden dat ik eens een wegwijzer zou tegenkomen, bedacht ik me na mijn ontbijt: twee sneetjes uit het onderste van mijn broodzak besmeerd met tot confituur gestampte braambessen en een mok hete chocomelk, opgewarmd in een heetwaterbron. Spijtig dat een opwarmfunctie nog niet in een laptop verwerkt zit. En ermee bellen kan je ook al niet. Zoals ik al vermoedde en zoals mijn verrekijker me bevestigde, was er in de verste verte geen wegwijzer te bekennen en in de nabije omgeving ook al niet. Nu ja, ik wist toch niet waar ik precies heen wou, dus zoveel maakte het nog niet uit. 

Toen het tegen de avond begon aan te lopen, ving ik plotseling een zacht, melodisch geluid op. Muziek, dat wist ik meteen. Zo te horen was het een modern liedje met een stevig ritme en een vrouwelijke zangeres. Ik was nog niet helemaal uitgeluisterd, toen het liedje begon uit te faden en een ander liedje infadede. Tussen mijn gedachten door was ik al een eindje in de richting van de bron van het geluid gewandeld. Even later stond ik er vlakbij; de muziek stond niet loeihard, maar wel luid genoeg. Ik kwam, net zoals een paar dagen geleden, alweer bij een laar, maar deze keer groter van vorm, waardoor de plek een meer open gevoel gaf dan de vorige. Want tenslotte zit je nog steeds ingesloten tussen een tralie van stammen. Op 't laar waren talrijke mensen aan het dansen. Wat me niet meteen opviel, maar even later wel mijn bovenkamer kwam binnengeseind, was het feit dat ze niet zomaar in het wilde weg dansten, maar met gecontroleerde en sierlijke bewegingen, alsof de zwaartekracht alleen in theorie bestond. En wat als tweede mijn bovenkamer binnenstormde, was de aanblik van hun gelaat dat baadde in het zweet, althans bij sommige dansers. Als laatste zag ik tussen al deze mensen de danslerares, stokoud en elkeen wijzend op zijn of haar houding.

Ik stapte op haar af, na enige vertwijfeling, en vroeg haar wat dit schouwspel te midden van de natuur te betekenen had, hoewel ik het, dacht ik, al wist:

 Madame Danchantée (kwiek)
'Dit is een dansles.'

Ik (volkomen nutteloos)
'Ach zo, ik zie het.'

'Daarnet niet dan?
(stamelend)
'Jawel, jawel, natuurlijk, maar ik was niet zeker.'

'En nu ben je wel zeker, omdat ik het je vertel,
hoewel je me niet kent en geen reden hebt
me te vertrouwen?'

Ik was duidelijk nog steeds niet erg bedreven in het ontmoeten, het was tenslotte nog maar mijn derde keer. Maar derde keer is scheepsrecht, dus ik zei:

'Het is duidelijk dat u me niet gelooft 
en dat u iets achter de kiezen houdt. Ik vertrouw je, 
omdat ik nu eenmaal weinig andere keuzes heb. 
Vertrouwen behoeft geen basis, denk ik. Dus ik vertrouw 
er nu dan ook op dat u weldra uw mond zal opendoen
en dat u me zal tonen wat u verborgen houdt.

'Zeg maar gerust 'je', meneer ... ?'

'M. Altevree.

'M. Altevree. Omdat ik je antwoord wel kan smaken,
zal ik je wegwijs maken in wat ik nog niet gezegd heb
en zelf ook nooit zal zeggen. Maar dat zal je niet
verhinderen te ontdekken wat hier gaande is.'

(ze wees naar de dansparen; want iedereen danste in paren, 
merkte ik toen op)

'Deze mensen zijn je daarin trouwens aan het voorgaan 
of reeds voorgegaan.'

Daarop dartelde ze weg en ik wandelde haar achterna, waarop ze me tegenhield, zei dat ik haar niet moest (maar dus wel mocht?) volgen en ik eraan moest beginnen. Maar aan wat, dat was de vraag. 

Een minuut later stond ik op de dansvloer te zoeken naar een danspartner. Nog een minuut later legde ik mijn handen op haar zij. Hoewel de muziek modern was, danste iedereen eerder klassiek, maar verre van stijf. De stijl was me niet onbekend of onbemind, het begrip sterdanser daarentegen wel. Vooral de voetbewegingen baarden me zorgen en zeker het toekomstbeeld van de struikelende ik. Ik keek naar beneden. Meteen voelde ik een hand me aanraken onder mijn kin en in mijn rug. 'Hoofd omhoog, jong persoon', hoorde ik haar zeggen en meteen erna waren de handen weg. Ik keek recht in de ogen van mijn danspartner. Lichtgroen met wijde pupillen en volle wimpers. Ik kreeg het er warm van. Plots hoorde ik een dof geluid en toen ik mijn ogen terug opende lagen we allebei op de grond. Nu ja, ik op haar en zei op de grond. Meteen weer de handen die me aanmaanden recht te staan en vervolgens de woorden 'Hoofd omhoog, jong persoon'. Mijn danspartner wachtte tot ik de leiding zou nemen. Ze zei niets, maar vond het duidelijk een amusant gebeuren. Ik nam haar middel vast en zette aan. 

Het volgende liedje dat begon was erg opzwepend. Rokken vlogen omhoog door de hevige bewegingen en dansen werd millimeterwerk om niet in botsing te komen met iemand anders of met de grond, dat was alleszins het geval voor mij. Ik kreeg het benauwd. Even kon ik in de ogen van mijn danspartner mijn gezicht weerkaatst zien. Druipend van het zweet. Een eskimo in de woestijn was er niets tegen. Ik wou even aan de kant gaan en het lag op mijn tong haar dit te vertellen, toen de woorden door mijn hoofd schoten: 'hoofd omhoog, jong persoon.' En ik danste verder.

Na afloop van de dansles, liep ik op haar af:

'Hoeveel ben ik je verschuldigd voor deze les?'
 
'Jij hebt al het werk geleverd.
Je was je eigen choreograaf, dus waarom
zou je dan iets moeten betalen?'

'Omdat jij ook gewerkt hebt.'

'Dit is geen werk, jong persoon.
Het is wat het is, meer niet.'

De mensen zeiden tot ziens, maar niet vaarwel en gingen uit elkaar. Zo ook ik en mijn danspartner. Toen ik uiteindelijk alleen achterbleef op 't laar, verdampte mijn moed in de avondlijke kou. Ik wilde er niet weg, ik had een goede tijd gehad op 't laar. En even snel en wonderlijk als een woelmuis die uit de bosjes zijn knus holletje inspurt,  doorkruisten de woorden mijn gepeins: 'hoofd omhoog, jong persoon.''

En zo had het onzegbare zich via een omweg voorgedaan aan M. Altevree. Hoewel hij het nooit had durven hopen, had hij die dag toch een wegwijzer gevonden, die weliswaar niet, hoewel de naam het laat vermoeden, de weg aangaf. Met het gevoel bevrijd te zijn van een stukje onzekerheid wandelde ik door de tralie van stammen terug naar de weg en van die dag af besloot hij zo nu en dan even een danspasje te wagen, misschien af en toe zelfs eens een noot te fluiten of gedachten te zingen, want wat is dansen anders dan een vreugdevolle manier van wandelen?

10 februari 2010

Vergeet je weg niet | 2


'Daar sta je dan. Nergens. Je hebt het flauwste benul waar ergens op de landkaart het kruisje 'U bent hier' zou staan, als er zo'n kaart zou zijn. Ik was gestrand op een laar, zo'n lieflijke, open plek in een oerwoud van stammen, bladeren en mossen, met hier en daar een paddestoel en heel veel leven dat vandaag lijkt beslist te hebben voor één dag er even mee te kappen. Oorverdovend stil was het. Het herinnerde me aan de klassiek geworden beschrijving dat het zo stil kan zijn, dat je de stilte welhaast kunt horen. Ik kon ze niet horen, maar verdovend was de stilte wel. Alle gevoel had me van het ene moment op het andere verlaten toen ik daar stond, in het midden van 't laar, alsof ook ik besliste er even mee te kappen.

Die ochtend had ik ervoor gekozen om op mijn stappen terug te keren, omdat een muur van begroeiing de weg blokkeerde. Een machette had ik spijtig genoeg niet bij me op dat moment. Eerst twijfelde ik nog en draalde wat ter plaatse. De omgeving leek echter niets in de aanbieding te hebben, waarmee ik mijn tocht zou kunnen verderzetten, toen ik wat rondkeek. Uiteindelijk waren het vooral de doornen aan het struikgewas die me ertoe noopten te beslissen om terug te keren. 

In het begin was het best aangenaam om te zien langsheen welke plaatsen ik vroeger heb gewandeld. Dat was zeker het geval toen ik in het midden van de bocht kwam, waar ik mezelf gisteren ben tegengekomen. Het landschap was er nog steeds even adembenemend, zag ik vanuit mijn ooghoeken; ik moest me concentreren op de weg. Vrij vlug kwam ik bij een eerste splitsing. Ik herkende de azalea's even verderop en sloeg hun richting in. Maar hoe verder ik terugliep, hoe minder ik bij het begin kwam. Dat is althans de gedachte die me bekroop net voordat ik op 't laar strandde. Alles onderweg leek veranderd en minder scherp afgelijnd. Soms leek het zelfs alsof alles in de wijde omtrek kleur verloor bij elke stap die ik deed. Alsof alles vergrijsde. En heel soms ook vergruisde, zoals de bladeren op de grond die doorzichtig waren geworden. Je zag zo de nerven lopen, zich vertakkend tot aan de bladrand en tegelijk die rand bepalend. Net alsof de bladeren in zich een klein boompje bevatten, als een herinnering aan hun afkomst. 

Misschien was ik zelf ook aan het vervagen, dacht ik plots, toen ik hierover mijn hoofd zat te breken te midden van 't laar. Dat moest wel zo zijn, besloot ik mijn gepeins, want ook ik maak deel uit van de omgeving. Ik ben een stukje omgeving. Zo snel als ik kon begon ik terug te lopen. En voor ik het wist stond ik terug voor de muur van begroeiing, zonder ook maar één keer nagedacht te hebben over hoe ik precies terug moest. En nu ik er zo over nadenk, kan ik me niet herinneren ook maar één splitsing te zijn tegengekomen toen ik terugliep over de terugweg die ik eerder had genomen. Vreemd is dat. Eigenlijk herinner ik me er bitter weinig van. Alsof het helemaal vanzelf ging.'

En net toen M. Altevree dit dacht, week de begroeiing helemaal vanzelf uiteen en verwerden de doornen tot knoppen en zo tot witte rozen. Nooit zou M. Altevree meer van een clichéachtige ontkoping, of moet ik zeggen ontknopping, houden als toen. Met een jubelend hart en zonder machette vervolgde hij zijn weg.

9 februari 2010

Vergeet je weg niet | 1

Je gelooft het nooit, maar ik ben mezelf tegengekomen. Daarnet, niet zo gek ver van de plaats waar ik nu sta, pakweg een eenendertig minuten geleden. Het was mijn tweede ontmoeting ooit. En niet verwonderlijk was het ook de tweede ontmoeting ooit van mijn kletskameraad. Of hoe noem je iemand anders, die je toevallig passeert en waarmee je een praatje slaat? Het was voor ons beiden meteen raak, want we liepen boenk op, maar niet over, mekaar in het midden van een bocht. Noch ik noch mezelf hadden elkaar zien aankomen, want we hadden allebei alleen oog voor of een oogje op het landschap dat zich op dat moment ontplooide rondom ons. Het is niet zo dat ik de weg kwijt was, maar het was wel zo dat ik de weg uit het oog verloren was. En dan bots je natuurlijk. Kijk even met me mee.

Een tapijt van grashalmen ontplooide zich rondom me en droeg, waarschijnlijk al eeuwenlang, water naar de zee door zich te verkreukelen in zowat alle richtingen. Er hingen kolibries als ornamenten in de lucht, overbelicht door zuilen van invallende zonnestralen die gaten prikten in het wolkendek. Het leek wel alsof de natuur één grote, uitnodigende discodansvloer was, zo snel verdwenen en verschenen de gaten. Iemand daarboven moet naarstig aan het naaien geweest zijn. Zelden zo rap gaten gedicht geweten. Verder bevonden er zich karpers in de zoete stroompjes, die zo energiek zwommen alsof 'zoet' betekende dat er rietsuiker in het groenbruine water opgelost was. En riet was er ook en algen en libellen ter grootte van een hand. En door het tapijt liep kronkelend een drassig bruin spoor, waarop ik stond toen ik mezelf tegen het hoofd stootte. 

Echt een knotsgekke ontmoeting. Ik wist meteen na onze botsing hoe ik reageerde. Ik hoefde maar voor me te kijken, zo gemakkelijk was dat. Enkele seconden bleef het angstvallig stil. Het was mezelf die het gesprek opende en enkele woorden uitwisselde, snel en vastberaden, minstens even hard als onze eerste voeling met elkaar. Erg veel heb ik er niet meer aan toegevoegd, dat hoeft ook niet bij een monoloog. Ik wist waar hij, mezelf, op stond.

8 februari 2010

Ontmoet Meneer Doktoorlog

'Welgeteld vier dagen is het geleden, m'n beste, toen ik voor de laatste keer hier gedag zei en toen ik voor de eerste keer ooit iemand ontmoette. Best een vreemde ervaring, iemand ontmoeten. Ik heb natuurlijk het geluk geboren te zijn met een zekere mate van bewustzijn. De meeste mensen zijn al lang vergeten wie hun eerste ontmoeter was, waar dat ontmoeten plaatsvond en hoelang ze elkaar ontmoetten, op het moment dat ze beseffen dat ze zich iets kunnen herinneren. Van de meest intense periode van het leven gaat het meest verloren, zo ben ik te weten gekomen. Of beter gezegd, zo is me meegegeven bij mijn geboorte. Welgeteld vijf dagen geleden. 

Ik weet nog goed hoe het tot een ontmoeting kwam. Het gebeurde allemaal in drie eenvoudige stappen:

1. Ik merkte hem op
2. Vervolgens merkte hij mij op
3. We besloten beiden in een fractie van een seconde dat het de moeite waard was op elkaar af te stappen en kennis te maken, wat dat ook mocht inhouden.

Achteraf gezien kan de derde stap soms ook twee deelstappen inhouden, want als hij gedesinteresseerd geweest zou zijn in mij, zou hij beslist terstond beslist hebben weg te lopen, hoewel ik zou hebben staan te popelen om hem gedag te zeggen. Sorry voor de geforceerde zinsconstructie van daarnet, maar ik zit nog in de experimenteerfase met mijn schrijven. Tips en spelfoutencorrecties zijn altijd van harte welkom.

De ontmoeting zelf verliep als volgt:

Meneer Doktoor
'Goe'ndag.'
Ik
'Goedendag.'

'Is dit jouw eerste ontmoeting?
Je lijkt me gespannen. Ik heb nog nooit iemand
met zo'n rechte rug zien rondlopen. Stijf als een plank ben je.
Ik kan je iets voorschrijven als je wilt?'

'Ja, dat is zo. Neen, dank u vriendelijk. 
Het loopt wel los. Maar ik heb, denk ik, 
wel iets voor jou geschreven.'

'Hoezo? Ik misversta je nu vermoed ik, m'n vriend.
Verklaar je nader.'

'Er kleeft bloed aan uw ooit zo witte doktorsjas 
en er hangt een halve arm uit uw jaszak. Letterlijk een halve. 
Bovendien hebt u een verroeste stethoscoop rond uw nek hangen 
en zijn uw ogen bang geworden om rondom zich te kijken. 
Uw handen trillen en uw zaag is bot. En vergeef me, 
maar uw rug is krom en er kleeft bloed aan uw vingers. 
Het lijkt me duidelijk dat u van het front komt. Welk front,
dat weet ik niet, maar u gaat gebukt onder veel oorlogsleed, 
dat u slechts met lede ogen kon aanzien. U was een dokter, 
meer zelfs, een oorlogsdokter.'

'Zeg maar gerust 'je', meneer ... ?'

'M. Altevree.'

'M. Altevree. Het is duidelijk dat je het ontmoeten nog niet
onder de knie hebt, maar je hebt gelijk. Behalve van dat bloed
aan mijn vingers. Dat heb je verkeerd bekeken.
Maar je hebt jezelf nog altijd niet nader verklaard.'

'Ik heb gisteren iets geschreven, 's avonds laat, 
toen ik in de grasgroene berm naast het wandelpad 
zat te zitten. Het was er plots, midden in mijn hoofd 
en wilde naar buiten. Ik heb mijn notitieboekje gepakt 
en noteerde het volgende. Ik denk dat het je van pas kan komen. 
En te onpas kan dit alleszins zeker en vast niet komen:'


 Ja, gij geraakt gewend aan goei' tijden

Zij gingen over lijken, in ganzenpas en uniform
Ijzeren vogels lieten hun eieren vallen voorbij Dover
En van't Arische ras schoten'r ook niet veel over
'Elke kogel zijn kerel', zo luidde't hun de norm

Übermenschen kenden hun eigenlijk grenzen niet
Regimenten rookten rassen uit voor't voortbestaan
Ook obussen hielpen de mens'n handje naar de maan
Peis en vree lagen toen werkelijk niet in't verschiet

Aanschouwt daarom dít tot't eínde uwer dagen
Ach, vroeger was't leven de mens zoveel waard
Dat'm niet meer stille stond bij'n zoveelste uitvaart
Of twee, want doden kunnen't zich niet echt beklagen

Leef nu, ge kunt! 'k Wil echt niet uw welbehagen
Fnuiken, maar toén waren't pas echt vuil' dagen
Ja, echt vuil' dagen, gij zijt er gelukkig van verlost
Want ze hebben stukken van mensen gekost.


'Wat je zegt, is niet van deze wereld en uit
een lang, vervlogen tijd. Maar ik begrijp wat je bedoelt.
Ik kom weliswaar van een totaal ander front, wie weet heftiger
en schokkender dan waar jij over spreekt, maar je hebt gelijk.
Ik was inderdaad een oorlogsdokter, nu ben ik op pensioen,
op de terugweg. Ik was, en nu, nu moet ik weer leren zijn.
Je hebt inderdaad gelijk. Ik kan het, leven, nu.'

Meteen daarop smeet hij de halve arm zo ver als mogelijk weg. Even leek hij voorbij de einder en verder te vliegen. En zo verliep M. Altevrees ontmoeting en zo verliep zijn dag. Hijzelf liep nadien verder, onze wandelaar.

4 februari 2010

Last aan de evenknie

'Soms zegt een titel genoeg. Dit noopt me ertoe vandaag tot rustdag uit te roepen. Want op één been aan iets beginnen is slechter dan er niet aan beginnen. Of soms ook heel moedig.'

En zo schreef M. Altevree in zijn - tot dan toe - lege notitieboekje, dat hij altijd bij zich zou dragen op zijn - tot nu toe - eendagsoude wandeling, het volgende:


Op de tweede dag rustte Ik. Dat kon ik, want alles was allang geschapen. En ik, ik de dag tevoren.