14 februari 2010

De onbekende Beautist

Eergisteren vond M. Altevree een stukje vergeeld papier, al had hij, na het gelezen te hebben, liever gehad dat het verguld was. Of misschien zelfs wel nooit geschreven was, dacht hij heel even. Maar die gedachte verwierp hij meteen, recht de vuilnisbak in, want radicaliteit boezemt hem angst in. Zeker als het in zijn hoofd ontspringt, zoals een onaangeboorde bron van onzinnige gedachten, waar slechts de kurk moet uitgetrokken worden om helemaal te verdrinken in een vloed van waanzinnigheid of meegezogen te worden door het ebgetijde. M. Altevree is nog steeds aangedaan door wat er op het papier stond, vandaar dat alleen ik, de verteller, vandaag het woord zal voeren in zijn naam. Moge hij snel weer op zijn positieven komen. De stakker kreeg werkelijk geen hap meer door zijn keel sindsdien, laat staan een woord eruit.

Rond halveren zeven 's avonds, maar het zou evengoed zeven uur dertig 's ochtends kunnen geweest zijn, het was het moment van het zonnezinken of zonnerijzen, die dag gepaard gaand met een rode gloed want de hemel had in brand gestaan, zo'n snikhete dag was het geweest, kwam M. Altevree voor een reuzeverassing te staan: stadswallen. 'Wel heb je ooit ...', mompelde hij. Je moet weten dat stadswallen niet echt meer tot de moderne stedencultuur behoren. Maar hij stond dus voor een moderne stad mét stadswallen, evenzeer modern of zelfs moderner dan de stad zelf. En hoog dat ze waren, zijn nek werd er stijf van, want hij stond inmiddels al twintig minuten gedachteloos te staren. Gek genoeg zat er geen poort in de muur. Er was gewoon één groot gat. In de verte kon hij nog enkele paden onderscheiden, toen hij rond de muur probeerde te kijken net zoals je voorbij een bocht wilt kijken, die recht naar de muur toe liepen en ophielden waar hij begon. Maar daar zat noch een gat, noch een poort. Alleen deze weg leek toegang te bieden tot de stad. (later zou M. Altevree zich hier nog meer bedenkingen over maken)

Het gat, of de stadswal, wat maakt het uit, was zo'n honderd meter in diepte en zo'n tien meter in breedte. Ik zou het eerder een kloof noemen, maar ik ben M. Altevree natuurlijk niet, dus we houden het bij gat. Net toen hij er in volle vaart op begon af te wandelen, kwam het beruchte papiertje aanwaaieren. Het leek onze wandelaar een handig middeltje te zijn tegen de hitte. Alles wat wind kon maken was op dat moment erg welkom. Het was ijdele hoop. Hij zou het er alleen maar warmer van krijgen, bleek later. Lees mee door zijn ogen, hoe zich voor hem het volgende ontplooide in gekaligrafeerde letters van een mannenhand:


Ik zie een bloem met rode franjes
En hier en daar dauwdruppels
Op de rode franjes van de bloem
Die ik anders tranen noem

En het rood ontbloot de passie van de vrucht
Meteen denk ik aan jou, omdat ik van je hou

Ik zie een vogel met grote glinsterveren
En twinkelingen in de pronkende ogen
op de grote glinsterveren van de vogel
Het lijkt wel tovenarij en gegoochel

En de hondenoogjes beogen mijn hart te stelen
Meteen denk ik aan jou, omdat ik van je hou

Ik zie een zonsondergang in de zee
En een schip dat bijna van de einder vaart
Op de zee onder de zonsondergang
Een seconde duurt er eeuwenlang

En mijn dromen drijven mee op de zilte zee
Meteen denk ik aan jou, omdat ik van je hou

Ik zie een kindergezichtje met lachkuiltjes
En enkele blozende stipsproetjes
Op de lachkuiltjes van het kindergezichtje
Een schatje, mijn pasgeboren nichtje

Haar handjes haken in de mijne
Meteen denk ik aan jou, omdat ik van je hou.


Het duurde even voor hij het als een nieuwe bladzijde in zijn notitieboekje attacheerde, want iets driemaal herlezen, letter per letter en laag per laag, vergt nu eenmaal wat tijd. Maar het was M. Altevree vooral om het gevoel te doen. Het enige zinnige dat nog in hem opkwam was: 'ik zal en moet de man die dit geschreven heeft vinden, al kost het me mijn leven.' En daarom zeg ik je: de waarde van een stukje papier hangt niet af van de houtsoort waaruit het gemaakt is, maar van de zin die men eraan hecht. De roodgloeiende zonsondergang duurde die dag nog heel lang.

2 opmerkingen:

Vlindera zei

Het moet wel haast heel bijzonder zijn om zo al wandelend deelgenoot te morgen worden van mooie woorden.
Misschien ga je wel binnen in het zelf, eenmaal door het gat in de muur. Al dagdromend denk ik eraan hoe mooi het binnen zou kunnen zijn. De romantiek van oudheid en verfrissende moderniteiten.
Ik ben reuze benieuwd naar de eigenaar van het briefje.

M. Altevree zei

Ah, nieuwsgierigheid, hoe mooi en tergend kan dat niet zijn.

Voorlopig kan ik niets lossen om de simpele reden dat ik nog moet beginnen zoeken.

Merci bien voor de interesse alleszins (: