10 februari 2010

Vergeet je weg niet | 2


'Daar sta je dan. Nergens. Je hebt het flauwste benul waar ergens op de landkaart het kruisje 'U bent hier' zou staan, als er zo'n kaart zou zijn. Ik was gestrand op een laar, zo'n lieflijke, open plek in een oerwoud van stammen, bladeren en mossen, met hier en daar een paddestoel en heel veel leven dat vandaag lijkt beslist te hebben voor één dag er even mee te kappen. Oorverdovend stil was het. Het herinnerde me aan de klassiek geworden beschrijving dat het zo stil kan zijn, dat je de stilte welhaast kunt horen. Ik kon ze niet horen, maar verdovend was de stilte wel. Alle gevoel had me van het ene moment op het andere verlaten toen ik daar stond, in het midden van 't laar, alsof ook ik besliste er even mee te kappen.

Die ochtend had ik ervoor gekozen om op mijn stappen terug te keren, omdat een muur van begroeiing de weg blokkeerde. Een machette had ik spijtig genoeg niet bij me op dat moment. Eerst twijfelde ik nog en draalde wat ter plaatse. De omgeving leek echter niets in de aanbieding te hebben, waarmee ik mijn tocht zou kunnen verderzetten, toen ik wat rondkeek. Uiteindelijk waren het vooral de doornen aan het struikgewas die me ertoe noopten te beslissen om terug te keren. 

In het begin was het best aangenaam om te zien langsheen welke plaatsen ik vroeger heb gewandeld. Dat was zeker het geval toen ik in het midden van de bocht kwam, waar ik mezelf gisteren ben tegengekomen. Het landschap was er nog steeds even adembenemend, zag ik vanuit mijn ooghoeken; ik moest me concentreren op de weg. Vrij vlug kwam ik bij een eerste splitsing. Ik herkende de azalea's even verderop en sloeg hun richting in. Maar hoe verder ik terugliep, hoe minder ik bij het begin kwam. Dat is althans de gedachte die me bekroop net voordat ik op 't laar strandde. Alles onderweg leek veranderd en minder scherp afgelijnd. Soms leek het zelfs alsof alles in de wijde omtrek kleur verloor bij elke stap die ik deed. Alsof alles vergrijsde. En heel soms ook vergruisde, zoals de bladeren op de grond die doorzichtig waren geworden. Je zag zo de nerven lopen, zich vertakkend tot aan de bladrand en tegelijk die rand bepalend. Net alsof de bladeren in zich een klein boompje bevatten, als een herinnering aan hun afkomst. 

Misschien was ik zelf ook aan het vervagen, dacht ik plots, toen ik hierover mijn hoofd zat te breken te midden van 't laar. Dat moest wel zo zijn, besloot ik mijn gepeins, want ook ik maak deel uit van de omgeving. Ik ben een stukje omgeving. Zo snel als ik kon begon ik terug te lopen. En voor ik het wist stond ik terug voor de muur van begroeiing, zonder ook maar één keer nagedacht te hebben over hoe ik precies terug moest. En nu ik er zo over nadenk, kan ik me niet herinneren ook maar één splitsing te zijn tegengekomen toen ik terugliep over de terugweg die ik eerder had genomen. Vreemd is dat. Eigenlijk herinner ik me er bitter weinig van. Alsof het helemaal vanzelf ging.'

En net toen M. Altevree dit dacht, week de begroeiing helemaal vanzelf uiteen en verwerden de doornen tot knoppen en zo tot witte rozen. Nooit zou M. Altevree meer van een clichéachtige ontkoping, of moet ik zeggen ontknopping, houden als toen. Met een jubelend hart en zonder machette vervolgde hij zijn weg.

Geen opmerkingen: